CHI Nederland


18 november 2003

Het digitale museum en ISO 9241

In het kader van 'Kennis en leren' twee lezingen: een over het digitaal ontsluiten van cultureel erfgoed en een over normen voor software ergonomie. Gelukkig nu eens zonder de bijbehorendewaarden.

Door: Igor Freeke

De eerste lezing: het I-Mass digitale museum

Geert de Haan werkte tot voorkort aan het Maastricht McLuhan Institute - European Centre for Digital Culture. Hij werkte daar als onderzoeker op het gebied van user interfaces aan het I-Mass project. Dat project heeft ten doel een 'Virtual Reference Room' te creëren, die het culturele erfgoed in musea en bibliotheken digitaal toegankelijk kan maken.

Om nu eerst uit te leggen wat überhaupt een reference room is, een reference room is een ruimte in een universiteitsbibliotheek waar de naslagwerken staan die verwijzen naar wetenschappelijke artikelen. Op een centrale plek in de reference room kun je, nadat je een verwijzing hebt gevonden, een verzoek indienen, waarna het daadwerkelijke artikel uit de opslagruimte van de bibliotheek wordt gehaald. Uiteraard heeft ook hier de laatste tijd een digitaliseringslag plaatsgehad, maar meestal niet met terugwerkende kracht.

Een belangrijk punt van aandacht in het I-mass project isinteroperability. Dat wil zeggen dat verschillende databases vaak met verschillende talen werken en verschillende begrippen hanteren, maar toch bij voorkeur in een keer ontsloten worden. Voor dat doel zijn agents - stukjes software - ontwikkeld die zich bedienen van mapping en switching technieken. Mapping komt simpel gezegd neer op vertalen, waardoor Luik, Liège en Lüttich weer een en dezelfde stad worden. Switching pakt een ander probleem aan: het begrip auteur betekent in het ene geval de schrijver van een boek, maar kan in een andere database de archivaris van een simpel archiefstuk zijn.

Ander punt van aandacht binnen I-mass, is dat de presentatie van de resultaten afhankelijk is van wie je bent, waar je bent en met welk doel je zoekt. Op een gedetailleerd niveau kun je aangeven, op welk niveau je resultaten wenst (schoolniveau, wetenschappelijk), in welke taal, of je uitleg of plaatjes zoekt, vergelijkende studies, en een groot aantal andere variabelen.

De belangrijkste problemen spelen zich echter in de contreien van I-mass af. Want hoe classificeer je een kunstwerk nu eigenlijk? Veel, zo niet de meeste kunstwerken zijn namelijk niet alleen een opzichzelfstaand kunstwerk, maar ook een verwijzing naar andere kunstwerken. En wie classificeert een kunstwerk? Rubriceren is een zeer tijdrovende en dus ook een kostbare aangelegenheid. Het ziet er in ieder geval naar uit dat de classificering van cultureel erfgoed nog lange tijd, heel veel handwerk vraagt. En dat leidt er waarschijnlijk toe dat het vooral de 'mainstream' kunstwerken zullen zijn, die goed worden geclassificeerd en toegankelijk worden gemaakt voor het nageslacht.

De tweede lezing: Normen voor webinterfaces en toegankelijkheid

Mark Ruijsendaal werkt voor TNO Human Factors en is voorzitter van de Nederlandse normcommissie voor Software Ergonomie. Die normcommissie verzorgt de Nederlandse bijdrage voor ISO(International Standards Organisation) op dat gebied. Ondanks het schijnbaar droge onderwerp, een verre van saaie lezing.

Normen - dat zijn duidelijke afspraken waaraan gerefereerd kan worden en waardoor samenwerkingsverbanden kunnen worden vergemakkelijkt - worden de laatste ook steeds vaker uitgevaardigd op het gebied van software-ergonomie. In tegenstelling tot in bijvoorbeeld werktuigbouwkunde of elektrotechniek, worden de normen voor software-ergonomie eigenlijk alleen op internationaal niveau uitgevaardigd en beheerd door ISO. Wel zijn er landelijke normencommissies, die hierbij een adviserende rol spelen.

Op gebied van software-ergonomie is de meestgebruikte en de meestomvattende norm de ISO 9241. Deze omvat bijvoorbeeld de 'subnorm' 9241-11 voor usability, de 9241-8 voor kleurgebruik en de 9241-12 voor de presentatie van informatie.

Doordat software-ergonomie nog een tamelijk jong vakgebied is, zijn normen nog niet zo sterk ingeburgerd als in andere vakgebieden, zoals werktuigbouw of elektrotechniek. Maar alles wijst erop dat binnenkort ook de beurt is aan ons jonge vakgebied. Immers, om maar een paar redenen te noemen:

  • Bij aanbestedingen en offerteaanvragen wordt steeds vaker verwezen naar normen, vooral wanneer het om overheidsprojecten gaat.
  • Iedereen profiteert van een ondubbelzinnige terminologie
  • Het kan leiden tot betere interfaces
  • Het geeft bovendien extra status aan het vakgebied

Hoewel het heel prettig is dat HCI specialisten (human computer interaction - de CHI in SIGCHI) nu eindelijk ook hun eigen normen hebben, zitten er voorlopig helaas nog wel wat haken en ogen aan:

  • Normen op gebied van software-ergonomie zijn niet altijd even goed gebundeld, maar zijn voor een deel verspreid over verschillende normen (en 'normgebieden' - zoals bijvoorbeeld 'telecommunicatie', 'beeldschermen' en 'bedieningsprincipes')
  • De normen zijn vaak heel 'losjes' opgesteld. Dit, om er voor te zorgen dat de ontwikkelaars niet in een keurslijf worden gedwongen - om vervolgens de normen los te laten. En bovendien zijn de normen wat losser opgesteld om er voor te zorgen dat de normen elkaar niet tegenspreken.
  • Dit heeft tot gevolg dat er eerder sprake kan zijn van ontwikkelen 'in de geest van de norm' dan precies volgensde norm. Ik zou zelf zeggen dat het in de aard van ons vakgebied ligt, dat er niet altijd aan alle normen tegelijk kan worden voldaan, ofwel dat normen elkaar soms wel moetentegenspreken. Net zo goed als het niet mogelijk is voor iedereen een en dezelfde goede interface te ontwerpen.
  • De ISO normen zijn niet openbaar, maar kunnen alleen tegen betaling worden opgevraagd. En die bedragen zijn - zeker voor kleine bedrijven en organisaties - niet gering.
  • De normen lopen achter op de praktijk van alledag. En dat wordt veroorzaakt door de razendsnelle ontwikkelingen in het HCI vakgebied. Gelukkig wordt er wel ruimschoots voldoende vakliteratuur gepubliceerd, die er voor zorgt dat HCI'ers wel snel kunnen beschikken over aanbevelingen. En bovendien bestaan er ook organisaties zoals W3C en The Web Standards Project (voor internetstandaarden) die sneller werken en beter toegankelijk zijn dan ISO.

Concluderend, normen kunnen HCI'ers helpen bij de uitoefening van hun vak, maar ze zouden wel beter toegankelijk moeten zijn - en gelukkig is dit volgens Ruijsendaal al een belangrijk discussiepunt binnen ISO. En wanneer dat realiteit wordt, zullen Sigchi-leden graag optreden als gebruiker, deelnemer aan de normontwikkeling, en als promotor van normen.